Diverse Lastechnieken
*Elektrodelassen
De
vlamboog brandt tussen een elektrode en het werkstuk.
Het werkstuk wordt door de boog die door het gebruik
van gelijk- of wisselstroom ontstaat, verwarmd en
opgesmolten.
*Lassen met inert gas
Bij
het lassen met inert gas beschermt het gas het
smeltbad tegen de inwerkingen van de atmosferische
lucht. De belangrijkste fysieke eigenschappen van de
inerte gassen zijn de ionisatie-energie, het
warmtegeleidingsvermogen en het chemische
reactiegedrag. De ionisatie-energie is de
energiehoeveelheid die nodig is om een elektron van
een atoom te scheiden en de vlamboog zo elektrisch
geleidend te maken. Wanneer de ionisatie-energie
gering is, kan de vlamboog eenvoudig worden ontstoken
en brandt daarna stabiel. De ionisatie-energie die
verbruikt wordt om een elektron uit te trekken, komt
vrij door middel van recombinatie met een elektron
aan het werkstuk. Deze energie staat dan voor het
lasproces ter beschikking. Gassen die op grond van
hun geringe ionisatie-energie een stabiele vlamboog
opwekken, kunnen de energie niet zo goed op het
werkstuk overbrengen.
Een ander mechanisme van de energieoverdracht is de warmtegeleiding; die uiteraard afhankelijk is van het warmtegeleidingsvermogen van de gassen. Het chemische gedrag van de gassen is uit lastechnisch oogpunt onderverdeeld in inert, oxiderend of reducerend. Bij oxiderende gassen ontstaat een afbrand van legeringselementen die echter bij de juiste gaskeuze kan worden verwaarloosd.
In principe wordt er onderscheidt gemaakt tussen MIG/MAG en TIG-lassen. Bij MIG/MAG -lassen wordt een draad als toevoegmateriaal toegepast. Dit lasprocedé wordt al naar gelang de verschillende soorten gas, verdeeld in MAG- (Metaal-Actief-Gas) en MIG- (Metaal-Inert-Gas) lassen. In tegenstelling tot de afsmeltende lasdraad bij het MIG/MAG-lassen wordt bij het TIG-lassen, een niet afsmeltende wolframelektrode toegepast. Dit procedé wordt ook weer onderverdeeld, nl. In TIG (Thungsten Inert Gas) en WP-lassen (Wolfram Plasma).
Een ander mechanisme van de energieoverdracht is de warmtegeleiding; die uiteraard afhankelijk is van het warmtegeleidingsvermogen van de gassen. Het chemische gedrag van de gassen is uit lastechnisch oogpunt onderverdeeld in inert, oxiderend of reducerend. Bij oxiderende gassen ontstaat een afbrand van legeringselementen die echter bij de juiste gaskeuze kan worden verwaarloosd.
In principe wordt er onderscheidt gemaakt tussen MIG/MAG en TIG-lassen. Bij MIG/MAG -lassen wordt een draad als toevoegmateriaal toegepast. Dit lasprocedé wordt al naar gelang de verschillende soorten gas, verdeeld in MAG- (Metaal-Actief-Gas) en MIG- (Metaal-Inert-Gas) lassen. In tegenstelling tot de afsmeltende lasdraad bij het MIG/MAG-lassen wordt bij het TIG-lassen, een niet afsmeltende wolframelektrode toegepast. Dit procedé wordt ook weer onderverdeeld, nl. In TIG (Thungsten Inert Gas) en WP-lassen (Wolfram Plasma).
*MAG en MIG - identiek procesprincipe
Het
procesprincipe voor het MAG- en het MIG-lassen is
identiek. De vlamboog brandt tussen een
draadelektrode en het werkstuk. De opgerolde
draadelektrode vormt het toevoegmateriaal. Deze wordt
door middel van een draadaanvoerapparaat naar het
werkstuk geleid. Door de weerstands- en
vlamboogverwarming smelt de elektrode af. Het
bescherm gas stroomt uit een mondstuk rondom de
elektrode en beschermt zo de vlamboog en het
smeltband tegen de atmosferische lucht. Gebruikelijke
draadelektroden hebben een diameter van 0,8 - 1,6 mm.
*MAG- (Metaal Actief Gas) lassen.
Bij
het MAG-lassen worden actieve gassen gebruikt die een
chemische reactie in het lasgoed veroorzaken. Daarbij
kan het zowel gaan om koolstofdioxide (MAG) als om
menggassen (-MIG MAG). Het MAG-proces gaat echter
gepaard met een grote uitwerping van lasspetters en
een beperkt lasvermogen. In de praktijk heeft het
MIG/MAG -proces zich daardoor door kunnen zetten.
Hierbij worden menggassen toegepast die uit
argon-koolstofdioxide, argon-zuurstof of
argon-kooldioxide-zuurstof bestaan en bijmengingen
van helium kunnen bevatten. Met het MIG/MAG-proces
kunnen zowel laag- als hooggelegeerde staalsoorten
worden gelast. Kenmerkend voor het proces is een zeer
hoog afsmeltvermogen.
*MIG- (Metaal Inert Gas) lassen
Bij
het MIG-lassen worden de edelgassen argon en helium
en de mengsels daarvan gebruikt. Deze reageren niet
met de basismaterialen en het toevoegmateriaal.
Daarom wordt het proces bij voorkeur bij het lassen
van aluminium, aluminiumlegeringen, koper, titaan en
andere non-ferro-metalen toegepast.
*MAG-hoogrendementlassen
Een
andere vorm van het MAG-lassen is het
MAG-hoogrendementlassen. Dit begrip wordt gebruikt
vanaf een draadaanvoer van 15 meter per minuut. Het
MAG-hoogrendementslassen is het resultaat van de
doorontwikkeling van stroombronnen en inerte
gasmengsels: hier worden afsmeltprestaties bereikt
die met ongeveer 20 kg/u bijna twee keer zo hoog
liggen als tot nu toe gebruikelijk. Een van de meest
toegepaste procesvarianten is het tandemlassen in
combinatie met heliumhoudende inerte gassen. Hierbij
worden, gestuurd door middel van separate
stroombronnen, twee draden met behulp van een brander
afgesmolten. Als resultaat bereikt het tandemlassen
buitengewoon hoge afsmeltprestaties en (afhankelijk
van de materiaaldikte) lassnelheden van meerdere
meters per minuut. Het tandemlassen is geschikt voor
ongelegeerde staalsoorten, maar ook voor aluminium en
aluminiumlegeringen. Bij het MAG-hoogrendementlassen
van ongelegeerde staalsoorten heeft Sagox® He 30/8,
een door Westfalen ontwikkeld driecomponentengas uit
argon, koolstofdioxide en helium, bijzonder goede
eigenschappen getoond.
*MIG/MAG-wisselstroomlassen.
Nog
relatief nieuw is het MIG-MAG -wisselstroomlassen dat
vooral bij het lassen van dunne platen uitstekende
resultaten behaalt: door de wissel naar het negatieve
stroombereik wordt meer energie voor het opsmelten
van de draadelektrode gebruikt. Zo kan, in
vergelijking met het gelijkstroomlassen, meer draad
bij gelijke stroomsterkte worden afgesmolten.
Hierdoor wordt voorkomen dat dunne werkstukken
doorbranden. Het wisselstroomlassen wordt zowel voor
on- en hooggelegeerde staalsoorten als voor aluminium
toegepast. Perfect afgestemde inerte gassen hebben
ook hier een optimaliserend effect; bijvoorbeeld
Argon He® 11 voor de bewerking van aluminium en haar
legeringen
*TIG(Thungsten Inert Gas)-lassen
Bij
het TIG-lassen brandt de vlamboog tussen de
Wolframelektrode en het werkstuk. Een inert gas
omsluit de elektrode en beschermt de elektrode en het
werkstuk tegen de lucht. Als inerte gassen worden
argon en helium evenals hun gasmengsels toegepast. Op
grond van hun eigenschappen gaan ze geen chemische
verbinding aan. In de vlamboog word het handmatig of
mechanisch aangevoerde toeslagmetaal afgesmolten. Met
dit proces kunnen nagenoeg alle materialen worden
verbonden.
*WP(Wolfram plasma)-lassen
Met
een plasma verstaat men een gas dat uit neutrale
deeltjes (atomen, moleculen) en uit ionen en vrije
elektroden bestaat en daardoor elektrisch geleidend
is. De voor de opbouw van een plasma vereiste
ladingsdrager levert het plasmagas (meestal argon).
In de lastechniek spreekt men van WP-lassen wanneer
een vlamboog tussen een Wolframelektrode en een
werkstuk brandt en door middel een mondstuk
ingesnoerd wordt. Essentieel is dat door de
lichtboogbundeling en de plasmastroming een hoge
energiedichtheid wordt bereikt. Echter, voor de
afscherming van het smeltbad ten opzichte van de
atmosfeer is bovendien een inert gas nodig. Bij
laaggelegeerde staalsoorten gaat het daarbij meestal
om argon. Bij hooggelegeerde, austenitische
staalsoorten kunnen echter ook
argon-waterstof-mengsels worden gebruikt.
Argon-helium-mengsels worden vaak ook toegepast bij
non-ferro-metalen. Kenmerkend voor het WP-lassen is
de hoge procesveiligheid. Het wordt daarom vaak voor
gemechaniseerde processen gebruikt. In combinatie met
de zogenaamde key-holetechnologie kunnen tot acht
millimeter in één laag worden gelast zonder
naadvoorbereiding. Hierdoor wordt de lascapaciteit
beduidend verhoogd.
*Formeren bescherming van de doorlassing bij het lasproces
Met
formeren bedoelen we het beschermen van de
achterzijde van de las (doorlassing) en de door
warmte beïnvloedde zone met inerte gassen. Het is de
taak van de gassen om de zuurstofhoudende atmosfeer
te verdringen en een hoogwaardig oppervlak te
bereiken. Daarvoor worden inerte gassen zoals argon
of reactietrage gassen zoals stikstof en mengsels van
stikstof en waterstof (formeergassen conform NEN- EN
439) of argon en waterstof toegepast. De keuze van
het inerte gas is afhankelijk van de materialen, de
onderdeelvormen, de wijze van de gastoevoer en de
lasomstandigheden. Argon 4.6/4.8 kan bijzonder
veelzijdig worden toegepast voor het formeren. In
principe kan het formeren bij ieder inert gas
lasproces noodzakelijk worden. In de praktijk wordt
dit echter voornamelijk bij het TIG-lassen toegepast.